Naar inhoud

Geschiedenis

Enkele krachtlijnen uit de geschiedenis van Koekelare

Op het grondgebied van Koekelare woonden al vóór 2000 v. C. Bronstijdboeren. Ze lieten een aantal grafvelden met kringvormige brandgraven na. De bewoning bleef tijdens de Keltische IJzertijd, wat blijkt uit keramiekvondsten en sporen van ijzerbewerking.

In de Gallo-Romeinse periode bleef de eeuwenoude Brugse Heirweg verder benut en kwam er een Romeinse legerweg bij, nl. de Steenstraat. Die vormt nu een deel van de zuidgrens van de gemeente. Een vloed aan scherven, een brandgraf en talrijke karrensporen laten veronderstellen dat er een bloeiende nederzetting bestond.

Germanen (Franken) namen die nederzetting over en gaven haar de naam Coclars. De twee delen van die naam betekenen: coc of kook is heuvel, verhevenheid en lars of lare is open plek in een bebost, moerassig gebied. Die situatie is herkenbaar als de wat verheven plaats waarop de parochiekerk verrijst, en die zelfs nu nog, vooral in het zuiden, met poelen en zompige plaatsen is omringd.

Coclars werd voor het eerst geschreven in 847. In een oorkonde bevestigde koning Karel II de Kale dat benedictijnen van St.-Amand (Noord-Frankrijk) de villa Koekelare, een groot gebied, kregen. Deze monniken kerstenden de streek en kozen als patroonheilige Martinus, de soldaat-bisschop, erg geliefd bij de Franken.
Nog altijd spelen Germaanse gebruiken – door de Kerk overgenomen – mee op de vooravond van de feestdag van St.-Maartens overlijden (11 november). Kinderen gaan met uitgeholde bieten met daarin een brandende kaars al zingend rond.
Op dit eerste lichtfeest van de winter verjagen ze met 'ruusbuusbuus' de boze geesten en smeken om appelen en peren, symbolen voor de vruchtbaarheid van de winter.

Op het einde van de 9e eeuw betraden plunderende Noormannen Koekelare. De bevolking wierp een ovale vluchtburcht op in de kromming van de St.-Maartensbeek, waar later het Oosthof ingericht werd.

Pas in 1106 kwam er weer orde op zaken. De graaf van Vlaanderen stimuleerde de ontginning van de Utfanc, het woeste, noordelijke deel van de gemeente, en hij schonk de parochie nu aan de benedictijnen van St.-Omaars. Ze vestigden er een priorij. Daaruit blijkt de centrumfunctie van Koekelare.
Die werd in de 14e eeuw nog versterkt als zetel van het Ambacht dat Koekelare, Ichtegem, Eernegem en Aartrijke omvatte.
Die gemeenten droegen eeuwen hetzelfde wapenschild: drie zilveren bezanten (munten geslagen door de Byzantijnse keizer) op azuren veld. Dit wapen bracht een heer van Koekelare, Walter IV, van zijn kruisvaart in 1252 mee. Deze heren van Koekelare hadden hun residentie op het Oosthof, toen een omwalde hoeve met een uitgebreid jachtgebied, de warande.

Ook in de Nieuwe Tijd bleef Koekelare een centrum. De schepenbank van het Brugse Vrije besliste er een leprozerie voor de hele streek op te richten. Talloze melaatsen kregen een paar honderd meter buiten de 'platse' een onderkomen.
Dat alles verdween op het einde van de 16e eeuw met de godsdienstonlusten. De kerk werd vernield door de geuzen en bijna de hele parochie ontvolkte. Heel geleidelijk klom het bevolkingscijfer weer naar de ca. 1400 inwoners in de Middeleeuwen.
Oorlogen, pest en vooral hongersnood verhinderden de bevolkingstoename. Vanaf 1750 schoot het bevolkingscijfer naar 3500 inwoners een eeuw later. Daar profiteerde vooral het gehucht om de herberg Mokker van. Deze wijk met overwegend armen bleef meer dan een eeuw voor het centrum een bekeringsgebied. Ze werd in 1925 een zelfstandige parochie.
Deze wijk leverde ook de meeste fransmans tot ca. 1970 de werkgelegenheid in eigen streek toenam.

Na de Eerste Wereldoorlog verscheurden twee partijen de bevolking in evenwaardige kampen. De bitsige schoolstrijd in 1930-31 haalde de nationale pers. De gespletenheid werkte na de Tweede Wereldoorlog door, vooral tijdens vier ophefmakende verkiezingsronden in 1952-54.

In 1971 fusioneerden de kleine gemeenten Bovekerke en Zande met Koekelare. Een nieuwe gemeente met 7800 inwoners was geboren. Dit aantal was in 1976 evenwel al teruggevallen tot onder de 7500. Door de actieve sociale verkavelingsstrategie vanuit de gemeente werd de ontvolking tegengegaan en werd de bevolking verjongd. In de periode van 1985 tot op heden werd een zeer actief beleid van dorpskernvernieuwing en -versteviging gevoerd. Koekelare werd meer en meer een gemeente 'tussen stad en platteland'. Van 1988 tot 1999 steeg het bevolkingsaantal jaar na jaar tot 8200. Sindsdien was de stijging minder fors, maar in 2011 werd toch de kaap van 8500 inwoners gepasseerd.